Een Nederlandse jonge vrouw staat in 1965 haar dochter af ter adoptie. De zwangerschap was niet gewenst en zij kan om verschillende redenen niet voor haar kindje zorgen.
Dit is het verhaal van deze dochter, die van haar adoptieouders de naam Lonneke kreeg.
Zes weken na haar geboorte komt Lonneke bij haar Nederlandse adoptieouders wonen. Ze groeit onbezorgd op en heeft een liefdevolle band met haar adoptievader. De relatie met haar adoptiemoeder is wat complexer. Rond de puberteit begint ze zich los te worstelen van haar over beschermende adoptiemoeder. Haar ouders willen vooral voorkomen dat Lonneke hetzelfde overkomt als haar ‘échte’ moeder.
Op 24 jarige leeftijd besluit ze – met de steun van haar adoptiemoeder- op zoek te gaan naar haar biologische moeder. Hieruit ontstaat in eerste instantie een warme relatie. Deze komt echter zwaar onder druk te staan wanneer duidelijk wordt dat haar biologische moeder haar geheim wil houden voor de directe omgeving, het liefst voor altijd. Ze is getrouwd, heeft een goeie baan en later nog twee kinderen gekregen. Lonneke wil een relatie opbouwen met haar halfzus en halfbroer, maar wordt hierin geblokkeerd door haar biologische moeder en haar man. Als Lonneke uiteindelijk besluit om hen zelf in te lichten verbreekt haar biologische moeder het contact. Voor Lonneke voelt dit alsof ze voor de tweede keer wordt afgewezen.
Pas jaren later wordt de relatie enigszins hersteld, maar de communicatie blijft moeizaam. Haar biologische moeder zit vast in haar verdriet en sluit zich hier in op. Lonneke vindt wel een weg om met haar emoties om te gaan.
In dit boek neemt ze de lezers mee op de zoektocht naar haar beide moeders: haar biologische en haar adoptiemoeder. Haar relatie met hen beiden en de relatie tussen de moeders onderling. Hoe was het om zo lang verzwegen te worden voor haar biologische familie? Om te weten dat ze een zus en broer had die niet van haar bestaan wisten.
Uiteindelijk staat ze niet meer achter de coulissen, maar in het volle licht. Ze mag er gewoon zijn.